Terwijl ik langs het park naar huis wandel, zit Dorothea op haar werk. Ze werkt voor een kleine uitgeverij die voornamelijk kleuterliteratuur publiceert, het soort boekjes met boerderijdieren op die je mee in bad kan nemen. Ze werkt er samen met haar Melchior, de vormgever. Een groot deel van het werk houdt in dat ze moeten nadenken over de thema's en uitwerking van het volgende boek en daarvoor zitten ze samen aan een grote houten tafel, bezaaid met kleurstiften en grote vellen papier.
"Ik vrees dat een zeemeermin uitgespeeld is. Welk klein gezichtje klaart nu nog op bij het zien van een halfnaakt mens met een vissenstaart? Ik zou gewoon een duiker nemen, oude Jules Verne klasse," zegt Dorothea terwijl ze probeert een dolfijn te tekenen. Ze merkt dat het meer een klomp met vinnen is en kijkt op naar Melchior, die eigenlijk Brendt heet. Hij heeft warrig blond krulhaar en draagt bijna altijd een hemd met een trui daarover, het hemd altijd slordig in de broek gestoken, met een punt die er lang voren uithangt. Hij draagt het liefst wit, grijs en blauw en Dorothea merkt op dat haar blauwe trui enkele tinten donkerder is dan zijn trui. Ze werkt nog maar enkele weken met Brendt, daarvoor had ze twee vrouwelijke collega's. Hij is nog nieuw voor haar.
"Welke woorden nemen we? Zee, boot, vis, duiker dan, dolfijn, haai, meeuw, en?" Brendt schrijft al deze woorden op terwijl hij ze uitspreekt. Bij het horen van het woord dolfijn legt Dorothea snel haar hand over haar tekening.
"en makreel."
"Makreel? Denk je echt dat makreel een woord is dat kleuters zouden moeten leren?"
"Het zou voor een heropleving kunnen zorgen. Geloof me, binnen zo'n tien jaar zullen makrelen enorm in zijn."
"Ik weet zelfs niet hoe een makreel te tekenen."
"Dat is jouw zorg, ik ga naar de speelgoedwinkel om de concurrentie te bekijken. Teken jij alvast die duiker." Dorothea frommelt eerst het papier op waarop ze haar dolfijn had getekend, gooit het in de prullenbak en doet dan haar jas terug aan. Ze besluit om langs het park naar de speelgoedwinkel te wandelen..
Ik zit ondertussen op een bankje in het park. Ik had onderweg een brood gekocht om aan de eendjes te voeren, maar ik zag een vrouw met een kinderwagen me vreemd bekijken en laat het brood naast me liggen. Ik heb een goed zicht op de vijver, maar niet op de speeltuin en de ligweide. Enkele banken verder zit een oud vrouwtje, zij kan wel zowel de vijver als de speeltuin en de ligweide bekijken vanuit haar positie. Een professionele bankzitter. Ik wacht enkele minuten terwijl ik in gedachten tegen het oud vrouwtje zeg dat ze haar plaats aan me moet afstaan. Ze blijft zitten dus ik sta recht en wandel naar haar bank toe. Ze grijpt naar haar handtas als ik bijna aan haar bank toekom en kijkt me argwanend aan. Ik zet me naast haar, met een respectabele dertig centimeter afstand, sla mijn been over het andere en zeg; 'lekker weertje." Het oude vrouwtje knikt, staat recht en wandelt weg. Ik had me vergist. Omwille van de struiken had je niet zo'n goed zicht op de ligweide. Teleurgesteld sta ik recht en wandel onbewust naar diezelfde ligweide die ik zo graag had willen zien vanuit mijn plaats op de bank. Ik leg me op het gras en sluit mijn ogen. Zou de oude man zich verslapen hebben, of zou hij dood zijn?
Wanneer ik mijn ogen terug open zie ik Dorothea over me heen leunen.
"Lig jij hier vaak?"
zondag 30 augustus 2009
dinsdag 25 augustus 2009
Kortverhaal: Kot 316 (2)
'Heb je al goed gewerkt voor school?'
'Tuurlijk ma.'
'Heb je al je cursussen al?'
'Ik moet er nog drie gaan halen.'
'Hoeveel heb je nodig?'
'Zo'n zestig euro.'
'Zestig?'
'Ja.'
'Ik zal storten. Heb je nog propere lakens?'
'Ja ma. Ik moet naar de les, dag.'
Het voelt goed om mijn moeders stem te horen.
Ik sta met Amber en Liesje op het treinperron. Ik heb een nieuwe, dure jas aan maar niemand zegt wat. Amber staat te roken hoewel een groot niet-rokers-bord boven haar hangt. Liesje controleert haar treinticket. Dries belt me en zegt dat we op het verkeerde perron staan te wachten.
'Nee we staan juist,' zegt Liesje.
'Weet je het zeker,' vraag ik. Amber biedt me een sigaret aan, en steekt opnieuw één op. Ik heb enkel een aansteker met een naakte man op die ik van Youri heb gekregen, dus ik wacht op vuur.
'Ja natuurlijk, spoor 5,' zegt Liesje terug.
'Is het spoor 5,' vraagt Dries langs de telefoon.
'Liesje zegt van wel,' zeg ik. Amber geeft me vuur en kijkt me vragend aan.
'Is Amber er ook,' vraagt Dries.
'Ja,' zeg ik.
Dries zucht. Wat later staat hij ook op ons perron. Hij ziet er bruiner uit dan vorige keer, en draagt een witte broek. Hij ziet ons allen kijken en zegt: 'Wat? We gaan toch naar de zee!' Ik vraag me af of Dries weet dat hij er als een verwijfde homo uitziet. Dan bedenk ik dat het wellicht zijn bedoeling is geweest.
Op de trein zegt niemand iets. Amber negeert Dries, dus zij doet alsof ze slaapt. Liesje heeft haar mp3-speler opgezet. Ik kijk naar het ding, en voel me plots jaloers. Dries doet alsof hij leest, maar kijkt af en toe op om te zien of Amber haar ogen nog steeds gesloten zijn. Ik ben de eerste die iets zegt.
'Kwam Patrick niet mee?'
'Ja, normaal wel maar Patrick heeft al twee dagen niet van zich laten horen,' zegt Liesje. Iedereen weet dat Patrick naar huis moest nadat zijn vader xtc in zijn kamer had gevonden. Zoals gewoonlijk mijden we onderwerpen waar ouders bij betrokken zijn.
'En Youri,' vraagt Dries. Amber opent haar ogen.
'Youri heeft niets laten weten,' zeg ik. Dries en Amber kijken elkaar strak aan.
'Ben,' vraagt Liesje. Ik wou dat ik Liesje niets over Ben had verteld. Amber en Dries lijken niets op te merken.
'Ben moest werken,' lieg ik. Ik voel me betrapt.
'En Patricia? Joke? Hendrik,' Liesje weer.
'Niet uitgenodigd,' zegt Dries en hij kijkt terug naar zijn boek.
'Marissa,' vraagt Amber.
'Wie is Marissa,' vraagt Dries.
'Ik ken helemaal geen Marissa.' Ik deze keer.
'Oh,' Amber klinkt alsof ze plots niet meer zeker is of ze wel een Marissa kent.
De trein stopt in Gent. Ik heb plots de neiging om af te stappen en ze alledrie achter te laten, Gent in te stappen met mijn rugzak en de stad te verkennen, nieuwe mensen leren kennen, nieuwe plaatsen, nieuwe situaties. Ik blijf zitten.
'Tuurlijk ma.'
'Heb je al je cursussen al?'
'Ik moet er nog drie gaan halen.'
'Hoeveel heb je nodig?'
'Zo'n zestig euro.'
'Zestig?'
'Ja.'
'Ik zal storten. Heb je nog propere lakens?'
'Ja ma. Ik moet naar de les, dag.'
Het voelt goed om mijn moeders stem te horen.
Ik sta met Amber en Liesje op het treinperron. Ik heb een nieuwe, dure jas aan maar niemand zegt wat. Amber staat te roken hoewel een groot niet-rokers-bord boven haar hangt. Liesje controleert haar treinticket. Dries belt me en zegt dat we op het verkeerde perron staan te wachten.
'Nee we staan juist,' zegt Liesje.
'Weet je het zeker,' vraag ik. Amber biedt me een sigaret aan, en steekt opnieuw één op. Ik heb enkel een aansteker met een naakte man op die ik van Youri heb gekregen, dus ik wacht op vuur.
'Ja natuurlijk, spoor 5,' zegt Liesje terug.
'Is het spoor 5,' vraagt Dries langs de telefoon.
'Liesje zegt van wel,' zeg ik. Amber geeft me vuur en kijkt me vragend aan.
'Is Amber er ook,' vraagt Dries.
'Ja,' zeg ik.
Dries zucht. Wat later staat hij ook op ons perron. Hij ziet er bruiner uit dan vorige keer, en draagt een witte broek. Hij ziet ons allen kijken en zegt: 'Wat? We gaan toch naar de zee!' Ik vraag me af of Dries weet dat hij er als een verwijfde homo uitziet. Dan bedenk ik dat het wellicht zijn bedoeling is geweest.
Op de trein zegt niemand iets. Amber negeert Dries, dus zij doet alsof ze slaapt. Liesje heeft haar mp3-speler opgezet. Ik kijk naar het ding, en voel me plots jaloers. Dries doet alsof hij leest, maar kijkt af en toe op om te zien of Amber haar ogen nog steeds gesloten zijn. Ik ben de eerste die iets zegt.
'Kwam Patrick niet mee?'
'Ja, normaal wel maar Patrick heeft al twee dagen niet van zich laten horen,' zegt Liesje. Iedereen weet dat Patrick naar huis moest nadat zijn vader xtc in zijn kamer had gevonden. Zoals gewoonlijk mijden we onderwerpen waar ouders bij betrokken zijn.
'En Youri,' vraagt Dries. Amber opent haar ogen.
'Youri heeft niets laten weten,' zeg ik. Dries en Amber kijken elkaar strak aan.
'Ben,' vraagt Liesje. Ik wou dat ik Liesje niets over Ben had verteld. Amber en Dries lijken niets op te merken.
'Ben moest werken,' lieg ik. Ik voel me betrapt.
'En Patricia? Joke? Hendrik,' Liesje weer.
'Niet uitgenodigd,' zegt Dries en hij kijkt terug naar zijn boek.
'Marissa,' vraagt Amber.
'Wie is Marissa,' vraagt Dries.
'Ik ken helemaal geen Marissa.' Ik deze keer.
'Oh,' Amber klinkt alsof ze plots niet meer zeker is of ze wel een Marissa kent.
De trein stopt in Gent. Ik heb plots de neiging om af te stappen en ze alledrie achter te laten, Gent in te stappen met mijn rugzak en de stad te verkennen, nieuwe mensen leren kennen, nieuwe plaatsen, nieuwe situaties. Ik blijf zitten.
maandag 24 augustus 2009
Kortverhaal: De Fantoomaap (2)
De verwarring blijft toenemen. Ik voel me misplaatst en heb vreemde gedachtekronkels. Ik zie mensen als speeltjes de ene dag, en de andere dag denk ik dat het omgekeerd is en voel me gebroken. Ik vind roken sexy, en dan weer ondersteboven. Ik leer over Parthavi teksten, draai het binnenstebuiten en schrijf een goor toneelstuk. In mijn dromen zie ik een ballerina van een klif dansen. Ik heb een professor Filosofie verteld dat ik Sokrates een gemene dwerg vind die vergeten is boeken te schrijven. Daarom is de Griekse beschaving gevallen; ze geloofden te hard in argumenten, niet in bezittingen. Ik lees dat Hans Verhagen zich zorgen maakt dat één bepaald lichaamsdeel plots zonder reden uit zijn limieten begint te groeien. Ik denk aan de druk die ik blijf voelen op mijn rechterschouder.
zondag 23 augustus 2009
Kortverhaal: De Grafdelver (2)
'zacht en rond als mijn borsten
Die jij niet meer streelt, nooit meer streelt'
Toen ik wakker werd in de stomme hitte de volgende morgen, kleedde ik me aan, gooide wat koud water in mijn gezicht en opende mijn deur. Ik neem aan dat ik verwachtte Adelinde daar te zien liggen in een plas braaksel als een lelijke, concrete bekentenis van mijn eigen verraderlijke aard, maar er was niemand in de hal. Het tapijt strekte zich uit van het ene eind van de hal naar het andere, nog steeds smetteloos groen, buiten de vage donkere plek vlak voor mijn deur, alsof iemand per ongeluk een glas water daar had gemorst, en het terug droog had gewreven.
Die dag zou ik naar huis gaan.
Ik stak mijn notitieboekje terug in mijn vestzak, en staarde door het raam van de trein. Ik had geen zin meer om te schrijven. Als een kolossale rommelhoop vloog het landschap in fragmenten voorbij, elk fragment had niets met het andere te maken. Steeds zag ik een glazige reflectie van mezelf spoken over het landschap.
'Dit moeizaam graven in de nacht, breekt de nagels van de dag, maar mijn gebroken mond proeft bijna leven', zei ik hardop. De vrouw die over me zat, keek op van haar tijdschrift.
'Dirk Clément', zei ik bij wijze van verantwoording, maar ik wist dat ik evengoed niets had kunnen zeggen. Ik probeerde niet te lachen, of mijn gezicht te bewegen, dus hield ik mijn gezicht krampachtig stil, en bij de controle van mijn ticket sprak ik tussen mijn tanden, zodat ik mijn lippen niet moest verroeren. Ik zie niet in waarom mensen naar me zouden willen kijken. Veel mensen gedragen zich vreemder dan mij. Mijn koffer reisde met me mee, in het rek boven mijn hoofd. Ze was leeg, behalve voor mijn kopie van 'Le Démon de Midi', een zonnebril en twee condooms; een geschenk van Adelinde. Ik was bang dat mijn koffer zou openvallen, en mensen dan zouden zien dat ik seks had. Maar dat was niet zo. Weer verfoeide ik Adelinde. De trein stopte, ik stapte af, en twee busritten later bevond ik me in de straat waar mijn ouders woonden. De moederlijke adem van het kleinburgerlijke leven vulde mijn tegenspruttelende longen. Het rook naar natte gazons, na-smeulende barbecues, tennisrackets en jonge hondjes. De kalmte van de lente had haar hand over alles gelegd, en het vervolgens dood geknepen. Een auto toeterde achter mij, en ik zag dat het mijn moeder was in haar rode volkswagen.
'Wil je een rit voor die laatste stappen ?'
Ik lachte ongemeend, en kroop op de achterbank samen met mijn koffer met de twee condooms in. Ik wou niet dat ze me aankeek. Mijn moeder keek me toch, via de spiegel, aan en reed verder.
'Ik zal je het ineens maar vertellen', ik kon het slechte nieuws al lezen in de plooien van haar nek, 'je broer is niet thuis dit weekend.' Mijn mond vervormde zich alsof ik een citroen had gegeten. Ik had het verwacht. Ik zonk naar beneden op de achterbank totdat mijn neus zich op de hoogte van de onderkant van het raam bevond, en ik keek naar de identieke huizen die voorbij gleden. Toen we de buren voorbij reden, zonk ik nog dieper. Ik vond het belangrijk dat de buren niet wisten dat ik thuis was. We reden de oprit op, ik keek achter om en zag de poort zich automatisch sluiten achter ons, en ik voelde me gevangen. Misschien had ik dat laatste eindje beter gestapt.
Die jij niet meer streelt, nooit meer streelt'
Toen ik wakker werd in de stomme hitte de volgende morgen, kleedde ik me aan, gooide wat koud water in mijn gezicht en opende mijn deur. Ik neem aan dat ik verwachtte Adelinde daar te zien liggen in een plas braaksel als een lelijke, concrete bekentenis van mijn eigen verraderlijke aard, maar er was niemand in de hal. Het tapijt strekte zich uit van het ene eind van de hal naar het andere, nog steeds smetteloos groen, buiten de vage donkere plek vlak voor mijn deur, alsof iemand per ongeluk een glas water daar had gemorst, en het terug droog had gewreven.
Die dag zou ik naar huis gaan.
Ik stak mijn notitieboekje terug in mijn vestzak, en staarde door het raam van de trein. Ik had geen zin meer om te schrijven. Als een kolossale rommelhoop vloog het landschap in fragmenten voorbij, elk fragment had niets met het andere te maken. Steeds zag ik een glazige reflectie van mezelf spoken over het landschap.
'Dit moeizaam graven in de nacht, breekt de nagels van de dag, maar mijn gebroken mond proeft bijna leven', zei ik hardop. De vrouw die over me zat, keek op van haar tijdschrift.
'Dirk Clément', zei ik bij wijze van verantwoording, maar ik wist dat ik evengoed niets had kunnen zeggen. Ik probeerde niet te lachen, of mijn gezicht te bewegen, dus hield ik mijn gezicht krampachtig stil, en bij de controle van mijn ticket sprak ik tussen mijn tanden, zodat ik mijn lippen niet moest verroeren. Ik zie niet in waarom mensen naar me zouden willen kijken. Veel mensen gedragen zich vreemder dan mij. Mijn koffer reisde met me mee, in het rek boven mijn hoofd. Ze was leeg, behalve voor mijn kopie van 'Le Démon de Midi', een zonnebril en twee condooms; een geschenk van Adelinde. Ik was bang dat mijn koffer zou openvallen, en mensen dan zouden zien dat ik seks had. Maar dat was niet zo. Weer verfoeide ik Adelinde. De trein stopte, ik stapte af, en twee busritten later bevond ik me in de straat waar mijn ouders woonden. De moederlijke adem van het kleinburgerlijke leven vulde mijn tegenspruttelende longen. Het rook naar natte gazons, na-smeulende barbecues, tennisrackets en jonge hondjes. De kalmte van de lente had haar hand over alles gelegd, en het vervolgens dood geknepen. Een auto toeterde achter mij, en ik zag dat het mijn moeder was in haar rode volkswagen.
'Wil je een rit voor die laatste stappen ?'
Ik lachte ongemeend, en kroop op de achterbank samen met mijn koffer met de twee condooms in. Ik wou niet dat ze me aankeek. Mijn moeder keek me toch, via de spiegel, aan en reed verder.
'Ik zal je het ineens maar vertellen', ik kon het slechte nieuws al lezen in de plooien van haar nek, 'je broer is niet thuis dit weekend.' Mijn mond vervormde zich alsof ik een citroen had gegeten. Ik had het verwacht. Ik zonk naar beneden op de achterbank totdat mijn neus zich op de hoogte van de onderkant van het raam bevond, en ik keek naar de identieke huizen die voorbij gleden. Toen we de buren voorbij reden, zonk ik nog dieper. Ik vond het belangrijk dat de buren niet wisten dat ik thuis was. We reden de oprit op, ik keek achter om en zag de poort zich automatisch sluiten achter ons, en ik voelde me gevangen. Misschien had ik dat laatste eindje beter gestapt.
vrijdag 21 augustus 2009
Willekeurig
Willekeurige Zinscontructies, Epigonaal Onderbewustzijn, Onderhevig aan Zondagsluiheid
------------------------------------Een jongetje zat op een bank in het park een boterham te eten. Het was een mooi jongetje, met zachte gelaatstrekken en een weelderige donkerblonde haardos. De boterham leek groot in zijn kleine handen, doch nam het jongetje, met veel doorzettingsvermogen, de uitdaging aan om de gehele boterham in één keer in zijn mond te proppen.--------------------------
----------Een oude vrouw weent. Haar kat is al langer dan een week spoorloos verdwenen. Terwijl de oude vrouw in haar keukentje voor zichzelf en de vierde keer die dag koffie inschenkt beseft ze dat haar kat nooit meer terugkomt. Ze drinkt gulzig haar tas koffie leeg, verslikt zich en besluit het kommetje melk dat al drie dagen op het terras staat eindelijk uit te spoelen.------------------------------
Vuile rukker.
Vaag mysticisme.
Amoreus Voyeurisme.
Ranzigheid in drie facetten; Stront, Babyroze, Clitoris
Ik schrijf omdat er een gehurkte –panter- in me schuilgaat, klaar om op te springen en zijn prooi te verslinden. Ik schrijf omdat ik een stem nodig heb, jouw stem, mijn stem, wat dan ook, zolang het maar een stem is. Ik schrijf om me te verzekeren dat mijn gedachten ook buiten de chaos kunnen leven, gegoten in historisch-verantwoorde semantiek én bestempeld als toerekeningsvatbaar, zeitgeistig en lentefris. Ik schrijf omdat ik niet kan leven met enkel transcendentaal toeval of toevallige transcendentaliteit. Ik schrijf omdat ik wil lezen wat ik geschreven heb. Ik schrijf omdat ik geloof in solipsisme.
Grafschrift
Apollonia Westman – Van Aacken
Zij was een harde tante.
--------------------------------DE MISLUKTE ACOLIET------
-------------jij en ik-------------------------------------
--------------------ervaren schaakspelers------------------
---verveeld-----------------------------------------------
------------om het spel van zoveel remises--------------------
--ik zie--------------------------------------------------
-----------------------------------------eindelijk--------
-----uit de krochten in je ogen:-----------------------------
---------------------------'kijk. dit zijn wij. samen.'--------
------------------------------------Een jongetje zat op een bank in het park een boterham te eten. Het was een mooi jongetje, met zachte gelaatstrekken en een weelderige donkerblonde haardos. De boterham leek groot in zijn kleine handen, doch nam het jongetje, met veel doorzettingsvermogen, de uitdaging aan om de gehele boterham in één keer in zijn mond te proppen.--------------------------
----------Een oude vrouw weent. Haar kat is al langer dan een week spoorloos verdwenen. Terwijl de oude vrouw in haar keukentje voor zichzelf en de vierde keer die dag koffie inschenkt beseft ze dat haar kat nooit meer terugkomt. Ze drinkt gulzig haar tas koffie leeg, verslikt zich en besluit het kommetje melk dat al drie dagen op het terras staat eindelijk uit te spoelen.------------------------------
Vuile rukker.
Vaag mysticisme.
Amoreus Voyeurisme.
Ranzigheid in drie facetten; Stront, Babyroze, Clitoris
Ik schrijf omdat er een gehurkte –panter- in me schuilgaat, klaar om op te springen en zijn prooi te verslinden. Ik schrijf omdat ik een stem nodig heb, jouw stem, mijn stem, wat dan ook, zolang het maar een stem is. Ik schrijf om me te verzekeren dat mijn gedachten ook buiten de chaos kunnen leven, gegoten in historisch-verantwoorde semantiek én bestempeld als toerekeningsvatbaar, zeitgeistig en lentefris. Ik schrijf omdat ik niet kan leven met enkel transcendentaal toeval of toevallige transcendentaliteit. Ik schrijf omdat ik wil lezen wat ik geschreven heb. Ik schrijf omdat ik geloof in solipsisme.
Grafschrift
Apollonia Westman – Van Aacken
Zij was een harde tante.
--------------------------------DE MISLUKTE ACOLIET------
-------------jij en ik-------------------------------------
--------------------ervaren schaakspelers------------------
---verveeld-----------------------------------------------
------------om het spel van zoveel remises--------------------
--ik zie--------------------------------------------------
-----------------------------------------eindelijk--------
-----uit de krochten in je ogen:-----------------------------
---------------------------'kijk. dit zijn wij. samen.'--------
Kortverhaal: De Fantoomaap (1)
Hoogmoed! Bla, bla, bla, niets dan bla. Ik schrijf nu in Times New Roman 10, omdat ik voel dat dit geen mooie font verdient en ik vind het wel leuk dat mijn woorden klein lijken. Als ze groot zouden zijn, durf ik misschien niet meer te schrijven. Iemand schreef me vandaag dat ik anders ben, dat ik de code niet begrijp.
Ik denk toch dat hij dat zei. Hoe durft hij eigenlijk te suggereren dat er een code is, en zeker dat ik deze code dan niet ken (als er al een is). Nonsens eigenlijk, dat zei Alice ook tegen de rups. Nee, ik denk het eigenlijk niet maar het lijkt wel of Alice zoiets zou zeggen. De reden waarom ik schrijf, als ik er al één nodig heb, is dat ik vanavond voel dat ik meer aandacht moet besteden aan wat anderen tegen me zeggen. Niet wat ze bedoelen, of wat ik denk dat ze bedoelen, of veronderstel wat ze bedoelen, maar hun eigen woorden. De woorden die ze uitspreken, zonder enige reflectie langs mijn kant. Ik denk echt dat ik hier gek van ga worden. Ik voel me ook al meer anaal. Ik heb de neiging om meer te klagen. Is dat niet waar de meeste over schrijven? Hun klachten, hun verveeldheid, hoe verdwaald ze zich wel niet voelen in deze maatschappij, waarom niemand hen begrijpt. Best hatelijk eigenlijk, het is te saai geworden.
Vandaag is het Zondag 25 Juni, 2006 en het is de eerste dag dat ik hem voelde. Ik was mijn examen Nederlandse Literatuur aan het voorbereiden en ik voelde een lichte druk op mijn rechterschouder. Ik hoorde iets zachtjes ademen naast me en, hoewel dit geen normale sensaties zijn ,was ik niet bang. Na mijn tien minuten voorbereiding was het mijn beurt en de professor vroeg waarom ik geen papers had ingediend. Alsof buiten mezelf antwoordde ik droogweg dat ik me zelf-destructief voelde. Het examen begon. Hoewel ik geen goede student was en totaal niet goed voorbereid was op het examen, verliep het prima. Ik beantwoordde elke vraag met oog voor detail en met sappige anekdotes. De professor was tevreden met me en gaf me een uitstekend cijfer. Ik was verward, maar eigenlijk gewoon blij met mezelf. Ik zou graag zeggen dat ik al een verband kan leggen met de druk op mijn schouder en de onverwachte afloop van mijn examen, maar dat kan ik niet.
Ik denk toch dat hij dat zei. Hoe durft hij eigenlijk te suggereren dat er een code is, en zeker dat ik deze code dan niet ken (als er al een is). Nonsens eigenlijk, dat zei Alice ook tegen de rups. Nee, ik denk het eigenlijk niet maar het lijkt wel of Alice zoiets zou zeggen. De reden waarom ik schrijf, als ik er al één nodig heb, is dat ik vanavond voel dat ik meer aandacht moet besteden aan wat anderen tegen me zeggen. Niet wat ze bedoelen, of wat ik denk dat ze bedoelen, of veronderstel wat ze bedoelen, maar hun eigen woorden. De woorden die ze uitspreken, zonder enige reflectie langs mijn kant. Ik denk echt dat ik hier gek van ga worden. Ik voel me ook al meer anaal. Ik heb de neiging om meer te klagen. Is dat niet waar de meeste over schrijven? Hun klachten, hun verveeldheid, hoe verdwaald ze zich wel niet voelen in deze maatschappij, waarom niemand hen begrijpt. Best hatelijk eigenlijk, het is te saai geworden.
Vandaag is het Zondag 25 Juni, 2006 en het is de eerste dag dat ik hem voelde. Ik was mijn examen Nederlandse Literatuur aan het voorbereiden en ik voelde een lichte druk op mijn rechterschouder. Ik hoorde iets zachtjes ademen naast me en, hoewel dit geen normale sensaties zijn ,was ik niet bang. Na mijn tien minuten voorbereiding was het mijn beurt en de professor vroeg waarom ik geen papers had ingediend. Alsof buiten mezelf antwoordde ik droogweg dat ik me zelf-destructief voelde. Het examen begon. Hoewel ik geen goede student was en totaal niet goed voorbereid was op het examen, verliep het prima. Ik beantwoordde elke vraag met oog voor detail en met sappige anekdotes. De professor was tevreden met me en gaf me een uitstekend cijfer. Ik was verward, maar eigenlijk gewoon blij met mezelf. Ik zou graag zeggen dat ik al een verband kan leggen met de druk op mijn schouder en de onverwachte afloop van mijn examen, maar dat kan ik niet.
Kortverhaal: Kot 316 (1)
Gisteren van drie tot twee uur 's nachts bij Liesje gezeten. Niets gedaan. Elf uren tv kijken, bier drinken, praten over wat we zouden kunnen doen en voor ons uit staren. De dag voordien zag ik Ben. Het was zoals verwacht. Later maakte hij me wakker door Rammstein op te zetten. Ik dronk drie tassen koffie. De autorit duurde vijf minuten, en daarna zette hij me af op een onbekende plaats. Ik was niet ongerust, ik had toch geen plannen.
Ik zou nu aan mijn taak voor maatschappijgeschiedenis moeten werken, maar al wat ik doe is bier drinken, roken en tv kijken. Het enige waarover gepraat wordt is wie met wie neukt, waar we goedkoop kunnen eten en welk merk sigaretten we graag roken. Ik droom over mijn vrienden die hun eigen stront opeten, en als ik dan wakker word, rook ik een sigaret en kijk door mijn raam naar de lege bierblikjes die de nacht ervoor achteloos buiten werden gegooid. Ik vraag me af of ik ooit mezelf stront zal zien eten in mijn dromen. Ik hoor Seppe in de keuken kussen en lachen met Shirley. Ik loop de keuken door, stap hen voorbij en steel een sigaret van Shirley uit haar pakje op het fornuis. Ik besluit om naar Amber te gaan, misschien heeft zij nog wat pilletjes in huis, of wat weed. Misschien zit ze bij Dries, met wie ze tegenwoordig neukt. Maar onderweg kom ik Patrick tegen. Ik volg hem naar zijn kot, we zetten Placebo op en liggen op bed. Hij zegt dat hij moet kakken en gaat weg. Ik glimlach, steek een sigaret op en sluit mijn ogen. Ik vraag me af welke dag het vandaag is.
We liggen in stilte naar elkaar te kijken. Patrick heeft de muziek stiller gezet.
'Ja.' Zijn ja klinkt hoopvol.
'Ja.' Mijn ja klinkt kort en verveeld.
'Ja. Hoe zit het nu eigenlijk met jou?'
Ik staar naar mijn vingers die bruin zijn van het roken. Ik vind Patrick best wel een eikel, maar hij vindt me cool, dus ik blijf.
'Ik leef nog,' zeg ik droogjes. Patrick legt zich op zijn buik en neemt wat tabak. Ik hoop dat hij een joint gaat rollen, maar zeg niets.
'Ik heb je gezien op de bus, je zat een schets te maken. Er zat een meisje voor je, Tina geloof ik dat ze heet.' Ik herinner me daar niets van, maar knik. Ik hou nauwlettend zijn vingers in het oog, en zie hoe hij een schaarse hoeveelheid weed over de tabak strooit. Dit wordt niets.
'Heb je drank in huis?' Ik weet het antwoord al. Patrick schudt inderdaad nee, en ik sta op om naar de wc te gaan. In de badkamer steel ik zijn shampoo, en roep dat ik weg moet. Hij roept iets terug, maar ik ben al weg.
Op weg naar de bibliotheek zie ik een paar betogers staan. Het zijn geneeskundestudenten die slogans scanderen als: 'meer Vlaams in het ziekenbed', en 'nous parlons pas français'. Ik krijg een flyer in mijn hand gestopt, en wandel de bib in. Ik ben vergeten welk boek ik nodig heb, en kuier wat rond tussen de eindeloze rekken met boeken. Ik neem een boek over Pinter en ga naar het seminarielokaal. Er zitten drie studiegenoten van me aan een taak te werken. Ik vraag me af voor welk vak. Ze zien me, en een meisje (ik geloof dat ze Leen heet, ze is dik en draagt veel pastelkleuren) fluistert iets in de ander haar oor. Ik lees twee hoofdstukken en ga terug weg. Ik denk eraan om Ben te bellen, maar ik heb geen belwaarde. De zon schijnt en er liggen mensen in het gras. Ik loop voorbij, en mijn gsm gaat af. Het is Ben. Ik neem niet op.
Het is een koude dag. Ik zit met mijn kleren aan in een leeg bad met een kop oploskoffie. Amber zit in de keuken. Ze zit te roken en door een Flair te bladeren. Ze vraagt zich waarschijnlijk af waarom ik zo lang in de badkamer zit. Ik kwam vanochtend van bij Ben, en heb sindsdien nog geen woord gezegd. Ik hoor Amber met Dries bellen. Ze klinkt kwaad. Waarschijnlijk is ze te weten gekomen dat Dries ook Yoeri neukt. Een publiek geheim waar enkel Amber niets van af wist. Ik heb een sigaret nodig. Ik stap uit bad, wandel de keuken in, negeer wenende Amber en steel één van haar Marlboro's. Goede Amber heeft altijd Marlboro's. Ik zet me op de stoel tegenover haar.
'Wist jij het,' vraagt ze, alsof ze niet weet dat ik het wist.
'Nee,' lieg ik.
'Die eikel neukt Yoeri gewoon. Yoeri! Die is met Valérie.'
'Is Yoeri met Valérie?'
'Ja, sinds het feestje van Patrick.'
'Ah zo.'
Ik voel me ongemakkelijk omdat ik al deze mensen ook al geneukt heb, dus ik ga een pizza kopen. Ik vraag aan Amber of ze ook een pizza wil. Zij wil een pollo, dus ik neem een spéciale, dan kunnen we delen. Straks als mijn moeder belt zal ik zeggen dat ik geld voor cursussen nodig heb, dan kan ik overmorgen terug weed kopen. Ik vraag me af wat Ben nu aan het doen is. Misschien is hij wel bij zijn ex. In de Colruyt kom ik Liesje tegen. Zij heeft tabak en bier nodig, en voelt zich rot omdat ze Patricia's portomonnee heeft gepikt op het feestje van Patrick. Ik vraag me af waar ik was die avond, want ik weet helemaal niets van een feestje. Ik koop twee pizza's, wat Jupilers en een fles wodka en wandel naar de kassa. Liesje volgt me alsof ze is vergeten waar ze is. Ze kijkt me aan als we aan de kassa staan, wil me iets vragen, maar zegt niets. Bijna aan de campus vraagt ze: 'gaan we dit weekend naar de zee?'
Ik zou nu aan mijn taak voor maatschappijgeschiedenis moeten werken, maar al wat ik doe is bier drinken, roken en tv kijken. Het enige waarover gepraat wordt is wie met wie neukt, waar we goedkoop kunnen eten en welk merk sigaretten we graag roken. Ik droom over mijn vrienden die hun eigen stront opeten, en als ik dan wakker word, rook ik een sigaret en kijk door mijn raam naar de lege bierblikjes die de nacht ervoor achteloos buiten werden gegooid. Ik vraag me af of ik ooit mezelf stront zal zien eten in mijn dromen. Ik hoor Seppe in de keuken kussen en lachen met Shirley. Ik loop de keuken door, stap hen voorbij en steel een sigaret van Shirley uit haar pakje op het fornuis. Ik besluit om naar Amber te gaan, misschien heeft zij nog wat pilletjes in huis, of wat weed. Misschien zit ze bij Dries, met wie ze tegenwoordig neukt. Maar onderweg kom ik Patrick tegen. Ik volg hem naar zijn kot, we zetten Placebo op en liggen op bed. Hij zegt dat hij moet kakken en gaat weg. Ik glimlach, steek een sigaret op en sluit mijn ogen. Ik vraag me af welke dag het vandaag is.
We liggen in stilte naar elkaar te kijken. Patrick heeft de muziek stiller gezet.
'Ja.' Zijn ja klinkt hoopvol.
'Ja.' Mijn ja klinkt kort en verveeld.
'Ja. Hoe zit het nu eigenlijk met jou?'
Ik staar naar mijn vingers die bruin zijn van het roken. Ik vind Patrick best wel een eikel, maar hij vindt me cool, dus ik blijf.
'Ik leef nog,' zeg ik droogjes. Patrick legt zich op zijn buik en neemt wat tabak. Ik hoop dat hij een joint gaat rollen, maar zeg niets.
'Ik heb je gezien op de bus, je zat een schets te maken. Er zat een meisje voor je, Tina geloof ik dat ze heet.' Ik herinner me daar niets van, maar knik. Ik hou nauwlettend zijn vingers in het oog, en zie hoe hij een schaarse hoeveelheid weed over de tabak strooit. Dit wordt niets.
'Heb je drank in huis?' Ik weet het antwoord al. Patrick schudt inderdaad nee, en ik sta op om naar de wc te gaan. In de badkamer steel ik zijn shampoo, en roep dat ik weg moet. Hij roept iets terug, maar ik ben al weg.
Op weg naar de bibliotheek zie ik een paar betogers staan. Het zijn geneeskundestudenten die slogans scanderen als: 'meer Vlaams in het ziekenbed', en 'nous parlons pas français'. Ik krijg een flyer in mijn hand gestopt, en wandel de bib in. Ik ben vergeten welk boek ik nodig heb, en kuier wat rond tussen de eindeloze rekken met boeken. Ik neem een boek over Pinter en ga naar het seminarielokaal. Er zitten drie studiegenoten van me aan een taak te werken. Ik vraag me af voor welk vak. Ze zien me, en een meisje (ik geloof dat ze Leen heet, ze is dik en draagt veel pastelkleuren) fluistert iets in de ander haar oor. Ik lees twee hoofdstukken en ga terug weg. Ik denk eraan om Ben te bellen, maar ik heb geen belwaarde. De zon schijnt en er liggen mensen in het gras. Ik loop voorbij, en mijn gsm gaat af. Het is Ben. Ik neem niet op.
Het is een koude dag. Ik zit met mijn kleren aan in een leeg bad met een kop oploskoffie. Amber zit in de keuken. Ze zit te roken en door een Flair te bladeren. Ze vraagt zich waarschijnlijk af waarom ik zo lang in de badkamer zit. Ik kwam vanochtend van bij Ben, en heb sindsdien nog geen woord gezegd. Ik hoor Amber met Dries bellen. Ze klinkt kwaad. Waarschijnlijk is ze te weten gekomen dat Dries ook Yoeri neukt. Een publiek geheim waar enkel Amber niets van af wist. Ik heb een sigaret nodig. Ik stap uit bad, wandel de keuken in, negeer wenende Amber en steel één van haar Marlboro's. Goede Amber heeft altijd Marlboro's. Ik zet me op de stoel tegenover haar.
'Wist jij het,' vraagt ze, alsof ze niet weet dat ik het wist.
'Nee,' lieg ik.
'Die eikel neukt Yoeri gewoon. Yoeri! Die is met Valérie.'
'Is Yoeri met Valérie?'
'Ja, sinds het feestje van Patrick.'
'Ah zo.'
Ik voel me ongemakkelijk omdat ik al deze mensen ook al geneukt heb, dus ik ga een pizza kopen. Ik vraag aan Amber of ze ook een pizza wil. Zij wil een pollo, dus ik neem een spéciale, dan kunnen we delen. Straks als mijn moeder belt zal ik zeggen dat ik geld voor cursussen nodig heb, dan kan ik overmorgen terug weed kopen. Ik vraag me af wat Ben nu aan het doen is. Misschien is hij wel bij zijn ex. In de Colruyt kom ik Liesje tegen. Zij heeft tabak en bier nodig, en voelt zich rot omdat ze Patricia's portomonnee heeft gepikt op het feestje van Patrick. Ik vraag me af waar ik was die avond, want ik weet helemaal niets van een feestje. Ik koop twee pizza's, wat Jupilers en een fles wodka en wandel naar de kassa. Liesje volgt me alsof ze is vergeten waar ze is. Ze kijkt me aan als we aan de kassa staan, wil me iets vragen, maar zegt niets. Bijna aan de campus vraagt ze: 'gaan we dit weekend naar de zee?'
Abonneren op:
Posts (Atom)
